KRANTEN berichten m.b.t. de moord op Alan

 Terug naar kranten knipsel overzicht  <<<

 

Artikel uit AD maandag 25 mei 2009             Thema, Familie en relaties

 

 

Op 14 mei 2000 gaan Alan Roos (31) en Daan de Blok (22) stappen in een Loosduinse discotheek. De volgende ochtend slaat Alan's vriendin alarm bij haar schoonouders: Alan is niet thuisgekomen. De onrust slaat toe als bekend wordt dat er twee mensen zijn neergeschoten op een parkeerplaats. Ze nemen contact op met de politie, die direct om een signalement vraagt. Een paar uur later worden de angstige vermoedens van de familie Roos bevestigd: de twee vermoorde jongens op de parkeerplaats zijn Alan en Daan.

 

Alan's moeder, Irene Roos, herinnert het zich als de dag van gisteren. ‘Ik was op het politiebureau toen ik het hoorde. “Alan is dood.” Wat er toen gebeurde... Ik kon het niet bevatten. En nog steeds niet.’ Vader Martin wilde het eerst ook niet geloven.

Een aanval van razernij was zijn eerste reactie. ‘Ik sloeg dwars door een deur heen. Zoveel woede en haat voelde ik. Om een beetje tot bedaren te komen, heb ik me teruggetrokken in mijn werkkamertje. En daar ben ik bij wijze van spreken nooit meer uitgekomen.’ Irene: ‘Ik kon helemaal niks meer, zat alleen nog maar op de bank.

Maar Martin is meteen gaan strijden, vanaf dag één.

De moordenaar van onze zoon moest gevonden worden, we wilden weten wat er gebeurd was en waarom.’ Dat het om twee daders ging, bleek vijf maanden later. Twee mannen, vader en zoon, uit het belendende woonwagenkamp werden gearresteerd op verdenking van dubbele moord met voorbedachte rade. De vader beroept zich op zijn zwijgrecht, de zoon legt een verklaring af. Het tweetal zou Alan en Daan na het stappen een lift hebben gegeven en in de auto schoot de vader beide jongens door het hoofd. Zonder enige aanleiding. De lichamen dumpten ze op de parkeerplaats.

 

Dat er geen verklaring is voor de dood van hun zoon kunnen Martin en Irene niet accepteren. De totale zinloosheid ervan brengt ze tot wanhoop. ‘Het is toch anders als je kind overlijdt aan een ziekte of ongeluk. Dan weet je tenminste wat er is gebeurd,’ zegt Irene. ‘Wij zitten met zoveel vragen. De eerste tijd na Alans dood keek ik alleen maar naar gewelddadige films. Ik hield daar helemaal niet van, maar ik zocht antwoord. Als iemand neergeschoten wordt, heeft hij dan pijn? Hoe lang duurt het voor hij sterft? Ik wilde het zien.’ Irene kreeg last van straatvrees, durfde de deur niet meer uit en kon haar werk als verkoopster bij een modezaak niet meer aan. Ook Martin had last van angsten. Hij voelde zich zelfs zo onveilig, dat hij een pistool van een kennis aannam. ‘Ik ken mensen uit alle kringen. Er werden mij meerdere vuurwapens aangereikt. Iemand liet zo’n ding zelfs gewoon bij mij achter. Maar na er een tijdje mee op zak gelopen te hebben, voelde ik me er toch niet goed bij. Ik heb het teruggegeven.’

 

Het proces tegen de moordenaars van Alan nam twee jaar in beslag. De vader kreeg twintig jaar, de zoon twaalf. De laatste is in september 2008 vrijgekomen, aanleiding voor Martin en Irene om uit Loosduinen te vertrekken. Het idee dat ze hem elk moment tegen het lijf konden lopen, was te angstaanjagend.

 

Op de schoorsteenmantel van hun huidige woning staan talloze foto’s van Alan, omringd door gedichtjes van vrienden en familie. Er branden elke dag twee kaarsjes. Ook in de vitrinekast brandt een kaars, naast de urn met Alans as en een fles van de rode wijn die hij altijd dronk.

 

 ‘Ons gezin is kapotgemaakt,’ zegt Martin. ‘Al is het negen jaar geleden, het verdriet is nog net zo groot.

 

We kunnen nooit meer écht blij zijn of ons ergens op verheugen. Je doet dingen, maar je beleeft ze niet. Alles is vlak.’ Irene: ‘Onze dochter Cynthia is vier jaar geleden getrouwd, een heel belangrijke dag natuurlijk. We waren d’r bij, maar that’s it. Ik was blij voor Cyn, dat ze een mooie dag had met supermooi weer, maar zelf heb ik stiekem zitten janken. Omdat Alan er niet bij was. Dat wil je niet, maar het gebeurt gewoon.’ Martin: ‘En je leeft met niemand meer mee hè, daar betrap ik mezelf ook op. O, heeft die en die z’n been gebroken. Nou en? Gaat wel weer over. Een hoop onverschilligheid zit erin. Behalve naar de lotgenoten toe, daar zijn we wel in geïnteresseerd.’ Irene: ‘En in de kleinkinderen. Die maken heel veel goed.’

 

Sinds 2003 steekt Martin al zijn vrije tijd in de door hemzelf opgerichte lotgenotencontactgroep ADS, Aandacht Doet Spreken – de initialen van Alan Dave Spencer. Daarmee werkt hij aan de belangen van nabestaanden van slachtoffers van fatale geweldsdelicten.

 

Zijn werkkamer staat vol ordners, gevuld met gespreksverslagen, notulen, Kamerbesluiten en correspondentie met lotgenoten en justitie. Martins ‘kruistocht’ komt voort uit frustratie over de rechterlijke macht in het algemeen en het proces tegen de moordenaars van zijn zoon in het bijzonder, over de gebrekkige opvang van de nabestaanden en het vonnis tegen de daders.

 

Het werk voor ADS helpt hem om zijn verlies te verwerken, zegt hij. Maar aanvaarding of berusting is niet voor hem weggelegd. Hij is nog altijd boos, op zoek naar vergelding. ‘Ik voel me druk in mijn hoofd. Opgejaagd,’ vertelt hij. ‘Ik heb altijd het idee dat ik zóveel te doen heb, terwijl ik misschien maar twee mailtjes hoeft te sturen. Maar ik kan gewoon geen rust vinden. Misschien als ik weet wat er op de veertiende mei gebeurd is en de daders zitten levenslang achter tralies, dat ik me dan bij Alans dood neer kan leggen.’.